China vervolging geeft groei

In de afgelopen decennia is de onderdrukking in China significant toegenomen. Tegelijkertijd trekken kerken, tempels en kloosters grote aantallen zoekers aan. -Door John Powers.

Vanaf de allereerste klassen, worden Chinese leerlingen onderworpen aan antireligieuze propaganda. Ze leren dat religie een ‘feodaal bijgeloof’ is; een overblijfsel uit het verleden dat het land beperkt en verantwoordelijk is voor veel van de problemen in het land.

In Tibet hebben Boeddhistische kloosters politiebureaus op hun terrein en monniken en nonnen staan constant onder toezicht. In Xinjiang waar moslims in de meerderheid zijn, zijn ten minste een miljoen Oeigoeren opgesloten in concentratiekampen waar ze gedwongen worden anti-moslim verklaringen af te leggen. De mannen worden gedwongen hun baard af te scheren en om vrijgelaten te worden moeten gevangenen varkensvlees eten en exemplaren van de Koran ontheiligen.

De regering omschrijft de kampen als ‘werk-trainingscentra’ waar studenten hard hun best doen om vaardigheden te leren die hen zullen helpen economisch vooruit te komen. Maar beelden van gevangenisachtige structuren omrasterd met hoge hekken met prikkeldraad maken duidelijk dat dit een enorme aanval op religie is door de overheid met als doel dat Moslims hun geloof afvallen. Dit is ook bevestigd door verhalen van voormalige gevangenen die vrijgelaten zijn en wie het is gelukt om naar andere landen te komen waar ze hun verhaal konden vertellen.

In de afgelopen decennia is de onderdrukking in China significant toegenomen. Tegelijkertijd trekken kerken, tempels en kloosters grote aantallen zoekers aan.

De Chinese Communistische Partij (CCP) is officieel atheïstisch en het is voor religieuze gelovigen verboden om er lid van te worden. Tegelijkertijd beweert de Partij dat ze zich houdt aan de grondwet die in 1982 is afgekondigd, waarin vrijheid van godsdienst wordt verkondigd. De grondwet lijkt ook andere vrijheden te garanderen die in de wetten van westerse democratieën gelden, maar een nadere kijk op de zaak laat zien dat dit geen instrument is waar mensen zich op kunnen beroepen als hun rechten worden geschonden. Het is juist een machtsmiddel dat geheel naar goeddunken van de Partij kan worden geïnterpreteerd en toegepast.

De Chinese grondwet staat alleen het uitoefenen van ‘normale religieuze activiteiten’ toe, nauwkeurig gedefinieerd als praktijken die op plaatsen en tijden worden ondernomen die door de staat zijn goedgekeurd en die de overheid en haar beleid steunen. Daaronder valt het dogma dat godsdiensten puur menselijke verzinsels zijn, dat God en andere bovennatuurlijke wezens niet bestaan, en dat alle godsdiensten een voorspelbaar traject afleggen van ontstaan naar toenemende populariteit, gevolgd door hun onvermijdbare achteruitgang en ondergang.

Mao Zedong (1893–1976),  de grote leider van China vanaf de revolutie in 1949 tot aan zijn dood, verklaarde dat omdat achterlijke mensen gehecht zijn aan hun godsdienst, de Partij moet toestaan dat het zijn voorbestemd teleologisch verloop zal hebben met extra hulp en begeleiding in de vorm van propaganda en onderwijs in wetenschap en rationale.

In de afgelopen decennia is de onderdrukking echter significant toegenomen. Tegelijkertijd trekken kerken, tempels en kloosters grote aantallen ijveraars aan, en zelfs staatsambtenaren geven toe dat er in het hele land een algehele toename is in religieuze toewijding is. Overheidsbronnen stellen dat er heden ten dage 200 miljoen godsdienstige gelovigen zijn, maar externe specialisten schatten vaak meer dan het dubbele van dat cijfer.

Religieuze groeperingen die ermee instemmen om zich te houden aan de beperkingen die de overheid oplegt wordt, zij het met tegenzin, toegestaan hun religieuze activiteiten te blijven uitvoeren. Echter, er wordt van hen verwacht dat ze vaderlandslievende waarden opleggen aan hun gemeente en ze moeten ook instemmen met het beginsel dat hun overtuigingen en praktijken bijgelovige nonsens zijn. Ze moeten ook samenwerken met de overheid in haar inspanningen om de onvermijdbare teloorgang van alle godsdiensten te versnellen, ook die van hun eigen godsdienst. Zo zien ‘normale religieuze praktijken’ eruit volgens de CCP.

Dus waarom is de Chinese Communistische Partij – die geen tegenstand duldt en de macht heeft over het grootste leger en de op een na grootste economie ter wereld – er bang voor als Katholieken de mis bezoeken, Boeddhistische monniken mantra’s zingen of Moslims samenkomen voor gebed op vrijdag? Een deel van het antwoord ligt in het verleden van China en de andere kant van het verhaal heeft te maken met recentere gebeurtenissen en hoe de Partij het Marxisme interpreteert.

Religie en de staat hebben in China reeds lang een strijdbare relatie  gehad. Er is een aantal religieus-geïnspireerde bewegingen geweest zoals de Gele Tulbanden in de tweede eeuw na Christus die tegen verschillende regeringen in gewapende opstand kwamen en die in sommige gevallen ernstig verzwakten. De meest recente bedreiging kwam echter door de val van de Sovjet-Unie en de bevrijding van diens veroverde gebieden in Oost Europa – gebeurtenissen die over de hele wereld gevierd werden als een overwinning van de vrijheid, maar door de leiders van China gezien worden als een wereldwijde ramp. De omverwerping van het Sovjetregime betekende een verwerping van het soort Marxisme-Leninisme dat vandaag nog steeds het officiële dogma is van de Volksrepubliek China.

De CCP stuurde onderzoekers naar Rusland en Polen om uit te zoeken wat daar mis was gegaan. Echter, de Partijideologie verbood mensen om de voornaamste problemen te bespreken, zoals onderdrukking, economische stagnatie en de verschrikkingen van de Sovjetgoelag. In plaats daarvan was de conclusie dat religie de oorzaak was. De golf van revolutie in Oost Europa had niets te maken met de gebreken in de uitvoering van het Marxisme-Leninisme, maar kwam door het volharden van godsdienstig geloof. Als gevolg daarvan is het huidige religiebeleid van de CCP een verlengde van de lessen die gehaald zijn uit de analyse van China’s eigen geschiedenis en de teloorgang van de Europese Marxistische staten die dezelfde ideologieën toegedaan waren.

Als dit allemaal een vergezochte overdreven reactie op een niet-bestaande bedreiging van de CCP lijkt dan is dat zo omdat het dat ook is. Maar het is eveneens belangrijk om de rol van ideologie en propaganda in China te erkennen. Vanaf het eerste begin is de Volksrepubliek China een propagandastaat geweest. De regering heeft de controle over alle mediakanalen en propaganda doordringt alle lagen van de samenleving. De inspanningen van de CCP om de opinie te beheersen zijn gebaseerd op een geloof in de oneindige vormbaarheid van de publieke psyche.

Geïnspireerd door Amerikaanse propagandisten waaronder Walter Lipmann (1889–1974) en Edward Bernays (1891–1995), gaat de CCP ervan uit dat als een overheid de inhoud van de overtuigingen van zijn burgers wil veranderen, het dat ook kan. Dit is de achtergrond van een nationaal programma van ‘patriottische educatie’ dat vooral prominent is in minderheidsgebieden zoals Tibet en Xinjiang.

Godsdienstige gelovigen, vooral leiders zoals Boeddhistische monniken en nonnen of Moslim imams, worden gedwongen deel te nemen aan de voortdurende propaganda-indoctrinatie en om publiekelijk door de overheid geproduceerde versies van hun overtuigingen aan te bevelen. Het wordt bijvoorbeeld van Chinese Christenen verwacht dat ze redding door geloof en ook de opstanding afwijzen (omdat het Marxistische materialisme de mogelijkheid van leven na de dood ontkent). Het wordt van Boeddhisten verwacht dat ze een versie van hun geloof aannemen die is gecreëerd door niet-Boeddhisten, een versie waar de meeste van de kernprincipes en praktijken uit hun geschriften niet in voorkomen.

Gaat zulke propaganda succes hebben? De geschiedenis suggereert van niet, en de aanhang van traditionele manieren van geloven blijft nog steeds sterk in Tibet en Xinjiang. Sterker nog, recente onderzoeken hebben geconcludeerd dat als het geloof in een tegengeluid sterk is, de tendens is dat het blijft bestaan ondanks welke mate van dwang of propaganda dan ook.

Mijn recente boek analyseert CCP-propaganda en de strategieën van weerstand die door Tibetaanse Boeddhisten als reactie daarop worden aangewend. Tijdens recente bezoeken aan de regio heb ik een klimaat van angst ervaren dat alles wat ik eerder tegengekomen ben ver overtreft en de aanvallen op religie zijn doordringender en wijder verspreid. Maar het geloof van Tibetanen lijkt sterk te blijven en het beoefenen van de godsdienst is een daad van verzet tegen de staat geworden.

De inspanningen van de CCP om godsdienst te ondermijnen en gelovigen te dwingen om een versie van hun geloof te aanvaarden dat het bijna gelijk maakt met Chinees patriottisme zijn er klaarblijkelijk niet in geslaagd om hun doel te bereiken. Echter, de Partij is een autoritaire organisatie en het is maar zelden gebleken dat de leiders ervan in staat waren hun koers te wijzigen als het beleid faalde. Dus de kans is groot dat de onderdrukking voort zal duren en dat de godsdienstaanhangers die het meest te verduren hebben van de onderdrukking zich in toenemende mate zullen verzetten tegen de boodschap van hun overheid. Met dit gegeven is het wellicht niet zo verrassend dat de Partij de volharding in zulke geloven ziet als een existentiële bedreiging.

Dr. John Powers is een onderzoeksprofessor aan het Alfred Deakin Instituut aan de Deakin University in Australië. Zijn pas uitgegeven boek The Buddha Party: How the People’s Republic of China Works to Define and Control Tibetan Buddhism (2016) is uitgegeven door Oxford University Press.

*Artikelen gepubliceerd door The Asia Dialogue geven de standpunten van de auteur(s) weer en niet per se die van The Asia Dialogue of gelieerde instellingen.